Nieuws

"Politiek en beleid faalden in kernopdracht: garanderen openbare veiligheid"




Tussenkomst Khadija Zamouri in plenair debat nav de aanslagen in Parijs, vrijdag 20 november 2015

Collega’s,

Acht jonge mannen waren vorige week vrijdag de waanzin nabij. Ze begingen vreselijke misdaden met circa 130 onschuldige, dodelijke slachtoffers tot gevolg. De slachtoffers waren mensen die aan het uitgaan waren. Zich ontspanden. De daders waren personen die dachten te handelen in naam van god. Personen die menen de waarheid over goed en slecht te kennen en die waarheid willen opdringen aan de anderen.

Bij de daders waren ook inwoners van Molenbeek. Je zou bijna zeggen dat het ‘onze’ jongens waren die deze vreselijke misdaden begaan hebben.

Als ik zeg ‘onze’ jongens zeg ik dat niet om sympathie te wekken of omdat ik vergoelijking zoek voor hun afschuwelijke daden. Met dergelijke daden zetten terroristen zich buiten onze maatschappij, laat dat klaar zijn. Het zijn daden die niet kunnen goedgepraat worden.

Maar de uitdrukking ‘onze’ jongens schoot me door het hoofd toen ik goed en wel besefte dat bepaalde daders misschien in onze kindercrèches hebben gezeten,  in Brussel scholen schoolliepen, naar Brusselse jeugdhuizen gingen, dezelfde moskeeën frequenteerden als zovele andere Brusselaars… We zijn er met andere woorden als samenleving en als politici niet in geslaagd om jongeren op het juiste pad te houden. We hebben gefaald.

Mag ik eerlijk bekennen dat ik vandaag als politica niet goed weet wat zeggen? Het is dan ook met enige schroom dat ik het woord neem.

De belangrijkste vaststelling is dat de politiek en het beleid er vorige week niet in geslaagd om één van haar kernopdrachten waar te maken, met name het waarborgen en garanderen van de openbare veiligheid.

Maar laat ons wel wezen. De verantwoordelijkheid van de aanslagen moet niet enkel gezocht worden in het politie-, veiligheids- of justitieel beleid. Het is niet de enige verantwoordelijkheid van deze of gene minister, deze of gene burgemeester. Aan de collega’s die de vreselijke gebeurtenissen van vrijdag willen gebruiken om hun politiek marktaandeel te vergroten door de politieke verantwoordelijkheid in een voorspelbare hoek te leggen, raad ik toch aan om vanuit een breder perspectief te bekijken. Terwijl politieke collega’s naar elkaar uithaalden, de schuldvraag bij de andere te leggen en zware verklaringen deden over het opkuisen van Molenbeek, zag ik op de VRT de getuigenis van de leerkracht die nog geen jaar geleden één van de daders in haar klas zag radicaliseren. Ze verklaarde hoe ze dit feit heeft aangebracht bij de klassenraad. Ze had hierover een brief geschreven naar de inspectie. Maar desondanks de waarschuwingen is de leerkracht, de klassenraad, de school, de inspectie, het onderwijsnet en heel het onderwijssysteem er niet in geslaagd de terreuractie van één van haar leerlingen te voorkomen.

Tijdens de vorige legislatuur zetelde ik in het Vlaams parlement en volgde ik er onder meer de commissie onderwijs. Ik maakte deel uit van de oppositie en ik heb er gepleit voor meer omkadering voor scholen en meer ondersteuning en begeleiding van leerkrachten. En toch heb ik als politica nu niet de neiging om mijn groot gelijk te onderlijnen. Integendeel, als politica voel ik me mee verantwoordelijk voor wat vrijdag gebeurd is. We zijn er als politiek en de totaliteit van politici, collectief dus, niet in geslaagd om een tendens die we allemaal al een tijd zagen aankomen, om te buigen of te voorkomen.

Klink ik defaitistisch? Je zou er inderdaad bijna de moed bij verliezen. Als zaterdag op een Franse TV-zender een dame geëmotioneerd verklaart dat de politici vrijdagavond niet gedaan hebben wat ze moesten doen, vond ik dat confronterend. Het had iets van een reality check.

Moeten we dan maar stoppen met politiek? Natuurlijk niet! Eens het stof is gaan liggen en de grootste emoties van onmacht en woede hebben plaatsgemaakt voor de rede, moeten we durven het constructief debat aan te gaan en conclusies te trekken. We zullen moeten luisteren naar elkaar en de moed aan de dag leggen om onszelf kritisch te bevragen. Investeren we voldoende in onderwijs? Is inburgering echt het enige antwoord voor een samenleving met steeds meer nieuwkomers uit andere culturen? Zetten we voldoende en efficiënt in op tewerkstelling voor iedereen? Voeren we een sterk antidiscriminatiebeleid? Beschikken de beleidsdomeinen justitie en politie over voldoende werkingsmiddelen? Zou een lik op stuk beleid in België en Brussel in sommige gevallen niet meer aan de orde zijn dan vandaag het geval is? Werken de gemeenschappen, gemeenschapscommissies, de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voldoende samen in Brussel? Is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest intern optimaal georganiseerd om de openbare veiligheid te waarborgen?

Het zijn kritische vragen waarop het antwoord niet simpel of éénduidig zal zijn. Maar we mogen dit debat niet uit de weg gaan. Eens de grootste verbijstering achter ons ligt en we in staat zijn hierover een sereen debat aan te gaan moeten de juiste vragen stellen en daarop goede antwoorden te formuleren.

Maar first things first: momenteel moet de openbare orde en de publieke veiligheid hersteld worden. Dit moet op een kordate manier gebeuren. Laat ons respect opbrengen voor de werknemers van de veiligheidsdiensten en de politiemensen die de voorbije week druk in de weer waren met het herstellen van de orde.

Daarna moeten we politieke conclusies trekken: laat ons hierbij vooral niet proberen om de zwarte piet door te spelen. Het moet me van het hart: wat dit laatste betreft zag ik de voorbije week heel wat politici – maar ook commentatoren uit de publieke opinie - die hun kans gemist hebben om te zwijgen. Luid roepen is nu niet aan de orde. Het hoofd koel houden en ons langzaam haasten om naar elkaar te luisteren over partijgrenzen heen is dat wel.   

Misschien, om af te sluiten, nog dit. Maandag laatsleden zat Bilal Banyaich, een Gente politicoloog verbonden aan de UGent, in de studio van de VRT. Zijn analyse ging verder dan het klassieke spelletje van wie wel of niet gefaald heeft. Uiteraard keek hij naar de politiek als verantwoordelijk voor wat gebeurde. Maar in één adem wees hij er ook op dat het onderwijs, het welzijnswerk, het arbeidsmarktbeleid, de werkgevers én werknemers organisaties,  justitie, politie, ouders, imams, jeugdhuizen,… allemaal gefaald hadden en medeverantwoordelijk waren.

Dit illustreert mijn inzien onze opdracht als politici. We moeten het veiligheidsprobleem niet zelf linea recta oplossen. Er bestaan geen wonderoplossingen. De openbare veiligheid moet kordaat hersteld worden. Maar daarnaast zullen we moeten een kader creëren en zullen we moeten handvaten aanbieden zodat maatschappelijke instellingen maar ook individuele personen zoals leerkrachten, jeugdwerker, imams en ouders hun rol kunnen spelen.